Â
 Ik pretendeer zeker niet baanbrekend en vernieuwend werk te hebben verricht, maar ik heb wel bereikt dat ik Nederlandse vrouwen heb geleerd om haute couture te appreciëren. Ik ben mijn moeder eeuwig dankbaar dat ze mij mijn fantasie heeft laten behouden.
Â
Frank (Franciscus P.A.) Govers, geboren op zondag 6 maart1932 in Tiel, was een bekend modeontwerper.
Als kind werd het zondagskind Franciscus Fransje genoemd. Het katholieke gezin met schoenenwinkel Govers telde zeven kinderen – vier jongens en drie meisjes – van wie Ietje de jongste was. In zijn autobiografie schrijft Frank Govers over zijn vroege interesse in mode. Hem was als schooljongen opgevallen dat juffrouw Mies van de St. Dominicusschool twee varianten droeg op een breipatroon. Een groen deux-pièces in de winter en in de zomermaanden een koraalkleurige versie. Kritisch was hij ook, hij vond dat de juf lelijk tekende met veel te dikke lijnen. Van de tweede klas herinnerde hij zich dat meester Vermegen altijd angstvallig dicht tegen hem aan kwam staan. Dat het best mogelijk was dat hij dit zelf uitlokte, want alle aandacht was hem lief. Zijn moeder breide kleren voor haar kroost. Voor de jongens maakte ze pakjes, allemaal van dezelfde snit in donkerbruin of donkerblauw. Voor de meisjes Shirley Temple-achtige jurkjes met angora randen en filigrain, opengewerkte delen, rond de taille. Frank had een duidelijke voorkeur voor de kleur van z’n pakje en ma begreep dat ze er het verstandigst aan deed hem zelf de wol te laten uitzoeken in de handwerkwinkel: een donkere kleur voor het broekje en knalgeel of knalrood voor de bovenkant.
In de vierde klas, waar Frank en zijn medeleerlingen vanwege de oorlog verduisteringskapjes voor de lampen zaten te maken, werd hij van school gehaald. Zijn vader hoopte dat een kostschool hem in het gareel zou weten te krijgen. Hij vond Frank een onmogelijk kind. Frank kwam terecht op kostschool De Ruwenberg in het Brabantse Sint-Michielsgestel. Van de rector, die godsdienstonderwijs gaf, en die hij ‘volgevreten’ vond, moest hij op de eerste rij zitten ‘en tot mijn ontzetting schoof hij tijdens zijn betoog zijn grote, zwetende rode hand onder mijn oksel. Een paar lessen later schoof hij die enge hand in mijn kleine broekje. Versteend en verward hing ik tegen de jongen die naast me zat. Dat is wat me zo tegenstaat in het geloof: Je mag dit niet, je mag dat niet, je zult gestraft worden – met daar tegenover de hypocrisie van de mensen die het voorbeeld zouden moeten geven.’
De Ruwenberg werd omgevormd tot interneringskamp, Franks volgende kostschool werd Bleijerheide bij Kerkrade met een sfeer van gehoorzaamheid, kuisheid en armoede, de gelofte die de Franciscaner broeders moesten afleggen. Tiel moest evacueren toen de Grebbelinie doorbroken werd. In de villa waar het gezin Govers vijf dagen verbleef, ging Franks belangstelling eerder uit naar het poppenhuis dan naar de blikken brandweerauto van de vrouw des huizes. Na een week kon het gezin weer terug naar hun eigen huis. Tiel was een gemengde gemeente met mensen van verschillende godsdiensten. Frank was vriendjes met de joodse Shelly, die een ster droeg, waarop Frank heel jaloers was. Er volgde een tweede evacuatie tijdens de Slag om Arnhem. Met de zeven kinderen liepen Franks ouders via Buren en Asch naar Vianen. Het was eind november en de regen viel met bakken uit de lucht. Er was niets geregeld, maar de familie Otten aan de Voorstraat haalde hen alle negen binnen. Voor een nacht, daarna werden ze aan de overkant binnengehaald bij de oude mevrouw Thorbecke, een nicht van de staatsman. Haar huis was een fin de siècle-achtige woning met Chinese potten met parasols, glitter en met ivoor ingelegde meubelen. Frank en zijn broer Henk moesten in de hongerwinter de boer op om eten te halen. In die tijd heeft Frank voor mevrouw Van Elteren, die aan de overkant een winkel vol galanterieën en porselein had, een hoed gemaakt van een gerimpeld keukenvalletje en heeft hij ook haar handschoenen van een bijpassend valletje voorzien. Hier zat Frank op een gereformeerde school, een gemengde, maar de meisjes zeiden hem niets. In Vianen maakte Frank de bevrijding mee.

Na de oorlog, toen Tiel totaal verwoest was, werden Frank – toen dertien jaar – en zijn broers Henk en John weer naar De Ruwenberg gebracht. Daar gedroeg hij zich weer ‘slecht’, hij had een heel directe manier van de leraren aankijken. Hij en de andere leerlingen konden de onrust onder fraters aan den lijve ondervinden. ‘Zij uitten hun vaderlijke of moederlijke gevoelens door aan je bed te komen en verrichtten handelingen waarvan wij leerden dat ze onkuis waren.’ In het nieuwe huis in Tiel van de familie Govers zijn twee fraters op bezoek geweest, waarna aan Frank werd meegedeeld: ‘Je gaat terug naar Bleijerheide’.  Daar heeft hij zijn schooltijd afgerond. Tante Iet, de vrouw van zijn vaders broer, bracht Frank in contact met haute couture. Zij regelde dat Frank bij Kessels van Piere in de Rechtestraat in Eindhoven als leerling werd aangenomen om herenkostuums te schuieren en te zorgen dat de mouwen netjes in het gelid naar beneden hingen. Hij mocht helpen als de etalages opnieuw werden ingericht en bijspringen in de verkoop als het erg druk was. Hij woonde in Eindhoven bij een aangetrouwde nicht, tante Jo, op zolder. ‘En zo nu en dan ontving ik daar een heer.’ Toen Kessels en Piere na een jaar werd opgeheven, kreeg Frank een mooi getuigschrift.
Via zijn oudste broer kwam Frank als achttienjarige als etaleur in dienst bij Modehuis Frits van der Ven in de Kerkstraat in Den Bosch. Marie van der Ven nam hem mee naar een haute couture show van Jacques Fath in kasteel Oud Wassenaar. ‘De kleren die ik daar geshowed zag hebben een ongelooflijke indruk op me gemaakt. De manier waarop ze gemaakt waren en de onwezenlijke mannequins die Faths werk toonden. Alsof ze niet genaaid maar gevouwen waren zoals alleen Japanners dat kunnen. Asymmetrische grijze flannel middagjurken met een totaal andere shape dan we gewend waren. Ik wist het op dat moment: Dit is wat ik wil.’
De oproep voor militaire dienst maakte op 1 augustus 1952 voorlopig een einde aan dit modieuze leven. Frank werd rekruut in de Menno van Coehoorn kazerne te Arnhem. Hij liep rond met een gehaakt dasje met een pin er doorheen en met handgenaaide handschoenen van de Bonneterie. Ze zagen wel dat hij niet geschikt was om te schieten en door de modder te baggeren en stuurden hem naar sectie G2 contraspionage. Als een soort Mata Hari werd hij in een kazernetje in Harderwijk gezet aan de rand van het IJselmeer om luchtfoto’s te interpreteren aan de hand van schaduwvorming, ‘maar het was volstrekt verouderd materiaal dat al van aantekeningen was voorzien door voorgangers, dus het stelde allemaal niets voor.’ Ook ging hij op oefening naar Duitsland ‘soldaatje spelen’. Tijdens de watersnoodramp in februari 1953 ‘heb ik in Zeeland de koninklijke bips van Juliana tegengehouden, omdat ze met haar rubberlaarzen van een modderige wal dreigde te glijden.’ Frank vond de militaire dienst wel een leuke tijd. In de kantine lagen allerlei weekbladen, waaronder Elsevier, ‘dat ik ik koortsachtig opensloeg voor de beeldschone modetekeningen van Constance Wibaut. De homoseksualiteit werd me in die periode steeds duidelijker en ik begon mensen het hof te maken.’ In het weekend toog hij naar Amsterdam. Bij zijn entree in het COC, dat toen nog de Shakespeare-Club heette, werd hij voorgesteld als Frank Govers uit Den Bosch. Hij werkte bij Van der Ven tot 1956, deed de etalages ‘en moe Van der Ven nam me mee naar Dick Holthaus in de Vondelstraat om hoeden in te kopen.’ Hij mocht naar eigen idee jassen gaan maken.
Benno Premsela, Max Heymans en Jan Bolkestein, een aankomend architect die bij Premsela werkte, hebben Frank opgehaald. Hij vertrok bij Van der Ven en kreeg een baan bij Krause & Vogelzang, waar hij 400 gulden in de maand verdiende. Krause liet Frank etalages aan de Kalverstraat moderniseren; hij mocht volledig zijn gang gaan. Jan Bolkestein, een beetje een Oscar Wilde type en een oudere broer van Frits, werd Franks eerste verloofde. Op advies van Jan ging Frank naar de modeacademie op de bovenste verdieping van de kunstnijverheidsschool aan de Gabriël Metsustraat. Na korte tijd had hij het daar wel gezien.
Links en rechts richtte hij etalages in, naast zijn baan bij Krause. Ook was hij fotomodel bij Hans Dukkers. Hij kreeg genoeg van het overheersende van Jan; de relatie raakte uit. Zijn volgende verloofde werd Chris Brandt Corstius, uitgever van kalenders en kerstkaarten. In maart 1959 vond de opening plaats van Kamphuis Govers Couture aan het Spui naast Formosa. Tot de eerste klanten hoorden Rijk de Gooyer, Teddy Scholten, Johnny Kraaykamp en andere sterren. Kamphuis en Govers verkochten eigen creaties en kregen een goede pers, maar verdienden niet veel. Frank verleidde een zestienjarige stagiair die het aan zijn ouders vertelde, waarop hij een voorwaardelijke straf van drie maanden kreeg; hij was niet op chantage van de familie ingegaan.
Na de bruiloft van zijn zus Greet, voor wie Frank de trouwrobe ontwierp, is broer John bij een verkeersongeluk omgekomen. Bij terugkeer van de bruiloft was de zaak aan het Spui opgedoekt (1964). Op dagbasis kon Frank etalages inrichten bij zijn vroegere werkgevers Van der Ven en Krause en bij winkels in de P.C. Hoofstraat. En hij ging les geven aan de Amsterdamse Vogueschool in de Valeriusstraat in Styling en Hoeden. De etalages van Krause werden alom bewonderd. Benno Premsela en zijn assistente Anni Apol kwamen met de hele Bijenkorf-etalagestaf ernaar kijken.
Tijdens een paasweekend ontmoette Frank de 22-jarige Uwe Peter Murau, een uit Keulen afkomstige goudsmit, met wie hij een relatie kreeg. Frank is met Uwe naar de Valeriusstraat gegaan om te laten zien dat hij daar op dat bovenhuis een eigen zaak wilde beginnen (de Vogue-studio ging verhuizen naar de Jan Luijkenstraat). Nadat Frank aan Uwes ouders om diens hand had gevraagd, gingen ze wonen en werken in de Valeriusstraat. Apollonia van Ravesteijn toonde er samen met enkele andere mannequins de eerste wintercollectie. Willy Dobbe, Liesbeth List en Tante Leen waren bij de eerste klanten. Uwe kreeg een baan bij Goldstoff, waarvoor hij op de Diamantbeurs de meest ingenieuze settings voor diamanten maakte. Frank en Uwe verhuisden naar het Westeinde, daarna naar de Weteringschans. Mevrouw W., een klant, en Govers startten vervolgens samen een zaak: Boetiek Frank Govers aan de Van Baerlestraat, maar het duurde niet lang tot er een faillissement kwam, waarop het huis aan de Weteringschans verkocht moest verkocht om W’s investering terug te kunnen betalen. Uwe is nooit hersteld van de geestelijke wond, de verkoop van hun geliefde huis. Hun volgende plek was op de Keizersgracht bij de Leidsestraat, wat Uwe ‘een kuthuis’ vond. Hij mokte over de vriendjes die hem in de steek hadden gelaten, nu drank en entourage niet meer voorhanden waren. De gevoelige en grillige jongen, soms ontrouw, maar heel attent, gaf veel geld uit. Frank kreeg een relatie met B. en Uwe met M. maar hij kwam terug.
In 1984 met Shirley, topmannequin voor tien jaar, vond de eerste show op de Keizersgracht met groot succes plaats. Shows op alle belangrijke locaties volgden: in het Hilton, de Koepelkerk, het Amstel Hotel, Hotel de l’Europe, Plaza aan het Rokin, de Nieuwe Kerk, het Kurhaus, Huis ter Duin, kasteel Oud Wassenaar etc. Daarna kreeg Govers shows in het buitenland. Frank Govers werd een bekende persoon, die ook in reclamefilmpjes voor Robijn, zeep en andere zaken figureerde. In maart 1992 vlak voor een show in Moskou, werd Uwe dodelijk getroffen door een plotselinge aortabloeding. Hij kwam te liggen in een witte kist en hij kreeg zijn favoriete kleren aan, inclusief de croco ceintuur met de door hemzelf gemaakte zilveren gesp. In de aula werd een concert gegeven door Emmy Verhey samen met de allerbeste musici.
In 1994 was er een overzichtstentoonstelling van het werk van Frank Govers in het Haags Gemeentemuseum.
Frank Govers overleed op 14 januari 1997 te Amsterdam. Hij ligt in het graf bij Uwe Murau (24 januari 1944 – 17 maart 1992). Zijn jongste zus Ida (Iet) Petronella Hendrika Maria Govers (1 mei 1943 – 17 juli 2008) ligt bij haar broer en diens vriend begraven.
 ————————————————————————————
Frank Govers, Mijn leven in mode, De Boekerij, 1995
http://frankgovers.expertpagina.nl/
http://nl.wikipedia.org/wiki/Frank_Govers
http://www.youtube.com/watch?v=uIiYoUyRrOg
http://www.youtube.com/watch?v=8T_8NByHnlk
————————————————————————————
Wijknaam: 1.3. Zocher – Rechts, Grafnummer O-I-0047
————————————————————————————
Foto’s: Pauline Wesselink
————————————————————————————————————–
Reactie Eleni Sevin:
… De tweede misser vond plaats op de dag van de presentatie van het werk, waarbij we zelf onze gemaakte modellen voor een jury, waarin enkele grote namen uit de modekeuken van die tijd niet ontbraken, moesten showen. Een van hen, Frank Govers, was aan onze academie verbonden en gaf naast een hoedencursus, ook af en toe modeadviezen. Hoewel mijn krappe beurs mij niet toestond de hoedencursus te volgen had ik toch een goed lijntje met de couturier, die in mijn, in de modewereld zo passende, dunne lijfje, een aardig object zag om te versieren… met mooie ontwerpen en stofjes. Natuurlijk was iedereen gespannen. Zelfs de rijke meiden, die de meerderheid van de school uitmaakten, zag je zenuwachtig aan hun kostuum en haar frummelen en, trillend, dure lippenstiften hanteren. Toen ik aantrad in een door mijzelf ontworpen en uitgevoerd ensemble kreeg ik van couturier Ferry Offerman, die ik persoonlijk niet kende, als commentaar toegeworpen, dat ‘het ontwerp prachtig was, maar dat het jammer was dat ik een zo goedkoop stofje had gebruikt…’ Ik schrok hier kennelijk zichtbaar van, want Frank haastte zich mij te verontschuldigen en gaf te kennen ‘dat het maar zo leek omdat ik met het ensemble in een zware plensbui had gelopen…’ Toen ik later in mijn versie van een harempak mijn opwachting maakte, verkondigde Offerman (vast in een poging om het weer goed te maken) ‘dat hij het gebruikte materiaal bij dit ontwerp ronduit schitterend vond.’ Frank meldde hem daarop fijntjes, ‘dat het in dit geval om een lapje van luttele guldens per meter ging…’ De dialoog was wat venijnig tussen de beide heren. Na afloop van de presentatie barstte ik in een, ook voor mijzelf, totaal onverwacht snikken uit, en holde opnieuw de trap af naar de keuken waar ik omringd werd met troostende woorden. Toch slaagde ik glansrijk. Vermeldenswaard is dat ik Frank soms tegenkwam in een oud, rommelig en vooral goedkoop stoffenzaakje in de Damstraat, waar wij beiden onze slag sloegen…
Misschien wel aardig om, nu ik toch schrijf, wat meer over Frank, die helaas inmiddels overleden is aan die gruwelijke aids, te vertellen. Enkele flarden herinnering aan Nederlands enige couturier, zeker in die tijd. Hoe “Knal†Max Heymans dan ook was, Frank knalde er met verve overheen, in een breed spectrum van Robijn- tot wijn- en nog donkerder rood, maar ook van waaiers aan andere, levendige kleuren. Waaraan Frank dat predicaat wat mij betreft mede verdient is het volgende: Hij gaf modeadviezen aan de leerlingen van de academie en hij ontwierp ook voor die, over het algemeen, gefortuneerde meiden, die bijkans kirrend van vreugde op een hen toebedacht ontwerp reageerden, en die, wie weet, daarvoor vooral hun step-innetje eigenlijk nog moesten bedanken! Want een beetje freule of jonkvrouw van amper 18 jaar droeg toen een step-in… Waren ze zo jong al zo dik zonder? Hoe dan ook: ‘Ohhhhhh Dank je, Frankje…’ en een hoop bekakt gejubel in pure idolatie. En ik… arme donder, die een aantal lessen gratis mocht volgen, dacht stilletjes en wat teleurgesteld: ‘Zo… Is dat het dan?’
Heel aardig, maar meestal totaal niets voor mij. In die tijd viel ik voor Louis Féraud, Daniel Hechter, André Courrèges en Hubert de Givenchi. Totdat deze Hollandse modemeester het eerste model voor mij, de Assepoester van de academie, ontwierp. Ik toonde hem op dat moment een heel luchtig Bijenkorfstofje in aquablauw, fel geel en appelgroen dessin (ongetwijfeld verjaardagsgeld.) Hij keek mij enkele lange secondes aan, waarbij hij even door mijn eigen outfit heen leek te kijken, om daarna in snelle lijnen een frivool, net niet “over de top†ontwerp op te zetten, waarbij hij zelf duidelijk genoot. Maar ik ook! Dat eerste modelletje: een soepel “près du corps†jurkje, met een grote, gele plastic ring op de rug. Het tweede ontwerp was “tout à fait†haute couture, waarbij Frank juist gebruik maakte van mijn iele lijfje en de dunne armpjes, waar ik zo vaak commentaar op kreeg. Een beeldschoon “off white†visgraat manteltje met ingezette punten van waaruit reeksen paraplustiksels naar beneden liepen. Denderend chique en heel verfijnd… En loei strak gesneden! Het was een hele klus om de mouwen over mijn handen heen te trekken als ik het manteltje uitdeed, en eens raakte daarbij de voering zelfs los. Maar, vakmanschap: Frank, met zijn “coupe soleil†van dat moment, kon goed inschatten wie met wat… Ja, ik vind dat hij een gave had in het uitlichten van het unieke in een vrouw en het behagen met zijn ontwerpen speciaal voor haar.
(Overigens herkende ik hem zelfs van achteren op de tramhalte aan zijn pose… En hij mij, toen ik aan de bar van de “Koningshut†op mijn duim zat te zuigen…)
Soms gebruikte hij mij als paspop om de kleding van de andere meiden op te tonen. Dat kwam me wel op boze ogen te staan en zeker toen hij tegen zo’n fortuinlijk schepsel zei dat ik haar model moest showen tijdens de openbare eindshow op de bovenste verdieping van het Havengebouw…
Overigens kregen we onder het kritische oog van Frank, daaraan voorafgaand “looplesâ€. Ik liep helaas op logge laarzen die mij te groot waren en kreeg als commentaar toegeworpen dat ik niet zo moest stampen. Frank schudde zijn hoofd eens. Dat was toen al een uiting van mijn spasmofilie, want ik had moeite met “aardenâ€, wat in hoofdstuk 4 verklaard zal worden.
Maar… Het was fijn om de couturier enthousiast mee te maken toen ik tijdens de eindshow over het plankier zweefde in mijn harempak, met de bewegingen van de danseres die daar in wezen in hoorde. Hij complimenteerde me, maar hij en ik wisten niet dat dit zo totaal verschillende loopje ook met mijn “erfenis†te maken had. (Ook in dit geval treft men de verklaring aan in mijn Engelstalige manuscript “Shadow-Boxing with the Pastâ€, wat, nogmaals, vooral op een specifiek deel van mijn spasmofiele erfenis ingaat.)
Maar tot zover Frank, voor wie ik jaren later een aantal te showen modellen in elkaar zette. …
————————————————————————————————————-
Fragment uit: Celstraf (Spasmofilie of Constitutionele latente tetanie) van Eleni Sevin
www.elenisevin.nl